Elke dag is theater als je opgroeit in een onveilig thuis (een gesprek met Edson).

Elke dag is theater als je opgroeit in een onveilig thuis (een gesprek met Edson).

Edson wordt geboren in Rotterdam, op de Binnenweg. Daar begint zijn verhaal. Rond zijn achtste of negende verandert zijn wereld. Zijn vader besluit dat ze [...]

Published On: 29 maart 2026Last Updated: 29 maart 202611,5 min readViews: 155

Edson wordt geboren in Rotterdam, op de Binnenweg. Daar begint zijn verhaal. Rond zijn achtste of negende verandert zijn wereld. Zijn vader besluit dat ze naar Kaapverdië gaan. Voor een kind klinkt dat als avontuur. Voor een kind is het vooral een breuk. Een nieuwe omgeving, met andere regels en een ander tempo.

Binnen een jaar keert zijn vader terug naar Nederland. Edson blijft met zijn moeder achter. Hij ziet dingen die hij niet kan plaatsen. Zijn moeder met een andere man. Spanningen zonder uitleg. Op die leeftijd begrijp je geen volwassen dynamiek, maar je voelt wel wanneer veiligheid verschuift.

Zelf herinnert hij zich die periode niet als één groot breekmoment. Het voelde vreemd, maar tegelijk ook normaal. Hij was acht, negen jaar. Op die leeftijd ga je niet zitten met de vraag of iets klopt. Je leeft in wat er gebeurt. Hij omschrijft zichzelf als een makkelijk kind. Iemand die meebeweegt. Die zich aanpast zonder daar woorden aan te geven. Pas later komt het besef dat wat normaal voelde, misschien helemaal niet zo normaal was.

Drie jaar later keert hij terug naar Rotterdam. Zijn vader leeft, werkt hard, zorgt financieel waar hij kan. Alleen is aanwezigheid niet hetzelfde als geborgenheid. In huis is er een nieuwe partner. Nieuwe verhoudingen. Opnieuw zoeken naar waar je mag staan.

Dat patroon van verplaatsen, aanpassen en opnieuw beginnen nestelt zich in zijn systeem. Later zegt hij het rustig: “Ik heb huizen zat gehad. Maar nooit een thuis.”

De zoon van.

Terug in Rotterdam draagt hij niet alleen zijn eigen verhaal. Hij draagt ook een naam. Vrienden van zijn vader spreken hem aan als “de zoon van”. Ze vertellen verhalen over hoe zijn vader was. Over wat hij had bereikt. Over wie hij was in de wijk. Er zit trots in die verhalen. Er zit ook gewicht in.

Wanneer je voortdurend wordt gezien als verlengstuk van iemand anders, ontstaat er een stille druk. Je wordt bekeken door de lens van een ander. Vergeleken, soms impliciet. Verwacht dat je iets waarmaakt wat niet van jou is begonnen.

Voor Edson zat daar iets dubbels in. Aan de ene kant zag hij de grootsheid van zijn vader. De manier waarop anderen over hem spraken. De trots die daarin zat. Aan de andere kant werd hij voortdurend vergeleken. Met oudere jongens. Met neven. Met zonen van vrienden. Hij hoort nog hoe dat ging: hij doet dit, hij doet dat, waarom doe jij dat niet?

Daar zat druk in. En tegelijk iets onveiligs. Je hoort dat je ergens bij hoort, maar binnen diezelfde wereld voel je je niet veilig. Alsof je onderdeel bent van iets, maar nooit genoeg bent binnen datzelfde kader.

Identiteit werd iets wat hij moest verdienen. Misschien begon daar het eerste decor van het theater.

Coolhaven.

Als jongvolwassene gaat hij bij zijn moeder wonen in de Coolhaven, ook zij is in de tussentijd terug naar Nederland gegaan. Niet omdat het daar stabiel is, maar omdat het voelt als de plek waar hij nog iets kan betekenen.

Zijn moeder worstelt. Psychisch. Met alcohol. Er zijn mannen in huis. Er is spanning die elk moment kan omslaan. Rollen draaien om. Hij wordt waakzaam. Beschermend. Hij leert energie lezen voordat iemand spreekt.

Ergens wist hij dat hij niet de enige was. Dat er meer jongens zijn die opgroeien in huizen waar dingen gebeuren die niet kloppen. Mannen die komen en gaan. Spanningen die onder de oppervlakte leven. Hij kende dat beeld. Alleen maakt weten dat je niet de enige bent het niet minder zwaar.

Wat bleef hangen was eenzaamheid. Een soort vermoeidheid die zich langzaam opbouwt. Die achterin je hoofd blijft zitten. Je wordt moe wakker zonder precies te weten waarom. Er zat ook verwarring in. Als hij dit zag, als hij dit voelde, waarom zag niemand anders het dan? Waarom kwam er niemand kijken? Waarom stond er niemand op de stoep? Dat gevoel, dat je iets meemaakt wat zichtbaar zou moeten zijn maar waar niemand op reageert, bleef hem bij.

In die periode ontstaan zijn eerste schulden. Brieven blijven liggen. Rekeningen groeien. Niemand legt hem uit hoe het systeem werkt. Hij werkt, probeert school vol te houden, probeert thuis rust te bewaren en verliest ondertussen overzicht. Wat klein begint, wordt langzaam groot.

Dan overlijdt zijn moeder. Naast het verdriet komt er druk. Binnen zes maanden moet hij het huis verlaten. De begrafenis kost geld dat er niet is. Mensen nemen spullen mee uit het huis terwijl hij nog probeert te begrijpen wat er net is gebeurd.

De bodem zakt verder weg. Hij kan het nog steeds moeilijk onder woorden brengen. Wat hem vooral is bijgebleven, is een besef: dat de tijd op niemand wacht. De emotie kwam niet meteen. Het duurde weken voordat hij kon huilen. En zelfs dat huilen ging niet alleen over haar dood. Het ging over alles wat nooit meer gezegd kon worden. Alle vragen die hij nog had. Alle antwoorden die hij nooit meer zou krijgen. Dat werd het echte verdriet.

Na haar overlijden gebeurde er nog iets anders. Het leven ging door. Instanties. Regels. Verwachtingen. Alles ging verder alsof er niets was gebeurd. Hij voelde zich daarin achtergelaten. Alsof hij werd opgepakt en weer neergezet in een wereld die gewoon doorging.

En het gesprek over zijn moeder? Dat kwam nooit. Niet echt. Die stilte is gebleven. Tot op vandaag. Er is niemand met wie hij dat stuk echt kan delen. Mensen kunnen hem begrijpen. Hem condoleren. Maar het gesprek dat hij nodig heeft, is er nooit geweest. Hij leeft nog steeds in die stilte.

Wanneer de bodem wegvalt.

Zijn vader leeft nog en werkte hard. Alleen in die periode stond Edson er grotendeels alleen voor. Over het overlijden van zijn moeder werd nooit echt gesproken. Geen gesprek en geen verwerking ervan. Het bleef stil. Tegelijk ging het leven gewoon door. Rekeningen bleven binnenkomen en instanties wachtten niet tot rouw was verwerkt. Daardoor groeiden schulden sneller dan inkomen.

In korte tijd lag er meer verantwoordelijkheid op zijn schouders dan hij kon dragen. Misschien begon daar iets wat hem jaren zou blijven vormen: het idee dat hij het zelf moest redden. En wanneer je denkt dat je er alleen voor staat, ga je zoeken naar manieren om dat ook echt te doen.

Op dat moment verschuift iets. Niet in zijn waarden, maar in zijn opties. Wanneer je geen buffer hebt en geen vangnet, voelt elke dag als een race tegen een systeem dat sterker is dan jij. Geld moest er komen. Snel. Niet om te winnen. Om adem te krijgen.

Hij is gaan dealen. Hij vertelt het zonder bravoure. Het was geen droom. Het was nood. Een manier om controle terug te pakken in een leven dat hem al jaren het gevoel gaf dat hij achter de feiten aanliep. In dezelfde periode woont hij in leefhuizen en antikraakpanden. Kamers waar je tijdelijk bent, nooit thuis. Panden waar verslaafden in en uit lopen. Nachten in zijn auto in Spaanse Polder. Overdag staat hij op tijd op, geeft trainingen, werkt, lacht, motiveert. ’s Nachts is het anders.

Dat gevoel bestaat niet uit één ding. Het is een mix. Er zit schaamte in. Er zit angst in. Niet zozeer schaamte omdat hij daar ligt, maar angst om gezien te worden. Hij valt op. Hij weet dat. Wat als iemand hem ziet liggen? Wat als de politie komt? Hij weet dat hij een boete kan krijgen, misschien erger. Alles wat hij probeert te vermijden in zijn leven, komt daar samen in één moment.

Hij beschrijft hoe hij zich verstopt. Een deken over zich heen. Zijn lichaam in een onnatuurlijke houding. Alles om maar niet op te vallen. Alsof hij zichzelf kleiner probeert te maken dan hij is. Niet omdat hij dat wil. Omdat het moet. Niemand ziet waar hij ’s avonds zijn hoofd neerlegt.

Rugby, erkenning en het harde contrast.

Rugby wordt zijn uitlaatklep. Op het veld wordt zijn kracht gewaardeerd. Zijn energie krijgt richting. Hij wordt gescout en staat uiteindelijk in Turkije op een kwalificatie toernooi voor het WK. In Turkije is er erkenning. Hotelkamers. Teamdiners. Een burgemeester die het team ontvangt. Hij staat daar als topsporter.

En dan is er het contrast. Hij beschrijft hoe hij van een gala-avond met burgemeester en teamgenoten terugkeert naar een kamer naast een junk. Hoe hij van applaus naar stilte gaat binnen 48 uur. Voor hem zat dat contrast er al veel eerder in. Hij was gewend dat er niemand langs de lijn stond. Geen familie. Geen vaste aanwezigheid. Dus zelfs op zo’n moment, in Turkije, voelde hij het anders dan anderen misschien zouden voelen.

Hij deed wat hij moest doen. “I did my job.”

Hij kon zich afsluiten. Aan gaan wanneer het nodig was. En daarna weer terug naar zijn eigen realiteit. Hij beschrijft het als bewust in- en uitstappen. De wereld van erkenning. En de wereld waarin hij echt leefde. Die twee liepen niet door elkaar. Ze wisselden elkaar af.

Dat contrast snijdt diep. Je lichaam weet dat je iets hebt bereikt. De buitenwereld ziet succes. En toch ligt er ’s nachts geen vaste vloer onder je bestaan. In dat spanningsveld ontstaat de zin die zijn leven samenvat: “Every day is a theaterplay.”

Overdag speelt hij de rol van de sterke man met potentie. ’s Avonds keert hij terug naar een werkelijkheid die niemand op het podium ziet. Theater is geen show. Theater is overleven.

“I got it.”

“I got it,” wordt zijn mantra. Er was geen specifiek moment waarop het begon. Het was er gewoon. Alles in zijn leven voelde als een reeks obstakels. De ene hurdle na de andere. Niets was vanzelfsprekend. Alles vroeg iets van hem. En dus ging hij door.

“I got it.” Dat werd zijn manier. Niet omdat hij zich sterk voelde, maar omdat er geen alternatief leek te zijn. Hij herinnert zich vooral hoe moe hij was. Een constante vermoeidheid. En de vraag die steeds terugkwam: wanneer is er een pauze? Hij werkt hard. Lost schulden af. Pakt verantwoordelijkheden. Helpt anderen. Wordt gezien als iemand die het aankan. Zijn ego is geen arrogantie. Het is een schild.

Het ego hield hem overeind. Alleen merkte hij later dat er een dunne lijn zit tussen kracht en zelfverlies. Hij spreekt over het verschil tussen ego en wat hij zelf “insanity” noemt. Ego is het mechanisme dat je helpt om op te staan wanneer je valt. Insanity is blijven doorgaan in hetzelfde patroon terwijl je weet dat het je breekt.

Hij bleef zeggen: “I got it.” Hij bleef dragen. Blijven oplossen. Blijven presteren. Totdat hij merkte dat hij zichzelf aan het uitputten was in het idee dat hij alles alleen moest kunnen. Dat is de rand waar hij heeft gestaan. Niet omdat hij zwak was. Omdat hij te lang sterk was.

Een moment van echte rust.

In een latere relatie wordt hij stiefvader. Een jong meisje komt bij hem liggen. Haar hoofd op zijn borst. Ze valt in slaap. Zonder voorwaarden en zonder oordeel. Dat moment raakt hem dieper dan welk succes ook.

Wat hem raakte, was vertrouwen. Dat een kind dat niet van hem is, zich zo veilig voelt dat ze gewoon bij hem komt liggen. Hij hoefde niets te zeggen. Hij hoefde niet uit te leggen dat het veilig was. Ze voelde het. En dat deed iets met hem. Het liet hem zien wat hij zelf had gemist. En tegelijk wat hij blijkbaar wél kon geven.

Voor het eerst voelt hij hoe het is wanneer je lichaam ontspant bij iemand. Geen rol. Geen theater. Geen “I got it”. Gewoon rust. Hij beseft hoeveel hij zelf heeft gemist.

Pas sinds zes maanden.

Edson is nu 35. Sinds zes maanden woont hij op een plek die als thuis voelt. Geen antikraak, geen leefhuis, geen auto en ook  geen tijdelijke oplossing. Dit is de eerste keer dat het echt van hem is. Niet een kamer. Niet tijdelijk en niet iets waar hij zich moet aanpassen. Zijn plek. Waar hij bepaalt wat er gebeurt.

Na jaren van verplaatsen, van aanpassen, van overleven is dit de eerste keer dat hij ergens kan landen. Voor het eerst staat hij ingeschreven op een plek die van hem voelt. Voor het eerst hoeft hij niet weg. Gewoon een woning waar hij de deur dichttrekt en zijn schouders zakken.

Voor iemand die 27 adressen heeft gehad, die naast junks sliep, die in zijn auto nachten doorbracht, die verkeerde keuzes maakte om schulden af te lossen, is dat geen detail. Dat is een nieuwe basis. Voor het eerst hoeft hij niet te spelen zodra hij binnenkomt.

Wat hij jongeren wil meegeven.

Wanneer ik hem vraag wat hij tegen jongeren zou zeggen die zich niet veilig voelen thuis, verandert zijn toon. Het wordt stiller.

Alleen zijn voelt veilig, zegt hij. Niemand nodig hebben geeft controle. Je hoeft dan niet bang te zijn dat iemand weer wegvalt. Alleen blijf je daarmee ook opgesloten in je eigen hoofd.

Veiligheid komt niet altijd uit het huis waar je opgroeit. Soms zit het buiten die muren. In een docent die doorvraagt. In een coach die je niet opgeeft. In een vriend die blijft zitten wanneer jij dichtklapt. Als zo iemand je een hand geeft, probeer die niet meteen weg te slaan. Ook al is wantrouwen logisch.

Je waarde zien als niemand je dat heeft laten voelen, is moeilijk. Toch begint daar iets. Door uit te spreken wat je nodig hebt. Door te zeggen dat het niet goed gaat. Door jezelf niet langer kleiner te maken dan je bent. Er komt een punt waarop je denkt dat het niet meer kan. Dat je te diep zit. Volgens Edson is dat vaak het moment waarop je moet besluiten of je blijft vechten in je eentje, of iemand toelaat naast je.

Hij weet hoe het voelt om omringd te zijn en toch alleen. En hij weet nu ook hoe het voelt wanneer dat verandert.

Wat draag jij met je mee, waar je niet over praat?

Misschien raakt dit iets in jou. Of draag je zelf iets met je mee waar je niet graag over praat.

Dan kan het helpen om het gewoon een keer op te schrijven.

#ditdraagik

Leave A Comment